Antonio Magliabecchi

“Ik stoor u toch niet bij uw middagmaal?” Die vraag zou Johannes Heyman zo rond 1710 gesteld hebben. Hij was op reis naar ‘het oosten’, want hij was met de curatoren van de ‘Leydsche hoogeschool’ overeengekomen dat hij daar bibliotheken zou bezoeken om handschriften te vergelijken. Omdat je dan toch in de buurt van Italië komt, had hij in Florence een afspraak gemaakt met Antonio Magliabecchi, een levende bibliothecaire legende. Magliabecchi stelt hem gerust: “Nee hoor. Ik heb net mijn eitjes op. Ik zit vol.”

François Fertiault is bij liefhebbers van bibliolectuur bekend gebleven door zijn sonnetten. In het weekblad Le Moniteur d’Issoire schreef hij over de ontmoeting van Heyman en Magliabecchi echter ook een feuilleton, getiteld Le souper du savant (1894). Beiden zijn de hoffelijkheid zelve: “U komt helemaal uit  de Lage Landen?” Heyman is enigszins afgeleid. Eitjes? Hij ziet nergens een eierdopje of –schalen. “Om mij  te raadplegen?” Dan ziet Heyman 

 

achter een stapel boeken een gebroken rauw ei liggen.  “Welke boeken wilt u inzien?” Heyman somt ze op maar zijn gedachten zijn nu vooral bij het eigeel dat is uitgelopen over de perkamenten band van een foliant. Als een rechtgeaarde en niet al te rekkelijke dominee vraagt hij zich af of dit geval van boekbesmeuring misschien zijn schuld is. Is het ei van tafel gerold toen Magliabecchi opstond om de deur voor hem te openen, met een besmeurde boekband als gevolg?

Tot zover de ongetwijfeld wat geromantiseerde duiding door Fertiault maar ook andere bronnen verzekeren ons dat Magliabecchi uitsluitend rauwe eieren nuttigde. De meeste bronnen houden het op drie. Albert t'Serstevens nuanceert het in 1924 tot twee of drie stuks: ‘Die brak hij op de rand van de tafel, en slokte ze op met een stuk brood, zonder zijn lectuur te onderbreken.’ In Isaac Disraeli’s Curiosities of Literature (1791) liggen die eitjes in een lade van Magliabecchi’s werktafel. ‘De heer Heyman’, schrijft Disraeli, ‘zag daarin eitjes liggen en een geldbedrag. Het gebeurde nogal eens dat de bedienden, of de buitenlanders die hem kwamen bezoeken, iets wegnamen: het geld of de eieren.’ Het lijkt me zeker dat Heyman zich aan geld noch eitjes heeft vergrepen. Als ze samen op zoek gaan naar de gewenste boeken, heeft Heyman de oplossing. Magliabecchi ziet zijn eitjes nergens en meent daardoor dat hij ze heeft verorberd. Hij zit vol. En Heyman concludeert: ‘Zijn maag zat onder zijn hersenpan.’

 

Ed Schilders

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het tijdschrift Argus op 13 oktober 2020