Boekenhonden

 

Het zal toeval zijn dat de een Doodkorte heette en de ander Dodeman, maar ze hadden meer gemeen dan de dood in hun naam: beiden schreven over boeken en lezen. Frater J.J. Doodkorte schreef het meest hilarische boekje dat ik ken over het gevaar van lectuur voor de zedelijkheid van jeugdige lezers. Het heet Jeugd en lectuur en verscheen in 1922. Het beste boek dat ik ken over het dagelijks leven van de bouquinistes bij hun stalletjes op de kademuren van de Seine, verscheen in hetzelfde jaar: Le journal d’un bouquiniste, van Charles Dodeman.

Er is nog een overeenkomst. Beide boekbeschouwers besteden ruim aandacht aan honden. ‘Op de hoek van de Petit-Pont’, schrijft Dodeman, ‘stond het boekenstalletje van markies X. Deze bouquiniste had een hond die buitengewoon intelligent was. Op zekere avond had de markies zijn sleutels verloren. Hij maakte een gebaar naar zijn keffer. Die gaat er vliegensvlug vandoor en komt vijf minuten later terug met de sleutels in zijn bek. Die hond, die kon alles. Behalve praten.’

Frater Doodkorte dacht daar anders over. In Jeugd en lectuur trekt hij bedroefd maar parmantig van leer tegen Hector Malots Alleen op de wereld, een lievelingsboek van de schoolgaande jeugd. Vooral hondje Capi en aapje Joli-Coeur worden geschoffeerd.  Niet dat Doodkorte hen had horen praten, maar hij had hen dan toch mooi wel op heterdaad betrapt op ‘redeneeren, oordeelen, en denken’. Zelfs ‘herhaaldelijk’! Doodkorte’s vonnis luidt dan ook dat Alleen op de wereld ‘beslist verwerpelijk voor de jeugd’ is.

Dodeman – zijn bijnaam was De Napoleon van de bouquinistes –  heeft als enige de biblio-hondjes van de Seine beschreven. Sommige gaan even liggen om te rusten. Nieuwsgieriger aangelegde soorten gaan ‘op de achterpootjes staan om te zien waar baasje mee staat te scharrelen.’ Er wordt gesnuffeld en pootje gelicht.

Eén type biblio-hond noemt hij niet: de blindengeleideboekenhond. Die vinden we bij Adolphe de Fontaine Resbecq in Voyages littéraires sur les quais de Paris (1864) als hij een slechtziende tegen diens geleidehond hoort praten. ‘Met zijn linkerhand houdt hij Médor aan de lijn, en met zijn rechter betast hij de boeken.’ Médor begrijpt wat hij baasje hoort zeggen: ‘Hier hou ik me vast aan de denkers, de denkers die ooit gesproken hebben maar nu zwijgen.’ Baasje doelt op zijn rechterhand. Ik denk liever dat hij zich even vergiste en eigenlijk zijn linker bedoelde.

 

Ed Schilders


Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het tijdschrift Argus op 15 december 2020.


Meer blogs?

Klik boven in het menu om eerdere blogs te lezen.

Tekening van A. Robida uit Le Journal d'un bouquiniste.