Bibliomanenmaaltijd

 

Prosper Podianus had in Urbino een mooie betrekking als leraar scholastiek, zeg maar de inhoud van bijbelteksten duiden naar de wijsgerige waan van de dag. De dagen van de zeventiende eeuw, want wanneer Prosper precies heeft geleefd is onbekend. In de geschiedenis van de bibliofilie is niet veel over hem bekend en hij heeft ook niet veel gepubliceerd. Over zijn intieme leven weten we slechts twee dingen zeker: hij was een fanatieke boekverzamelaar, en hij had een echtgenote met een nogal boekvijandige inborst. Als mevrouw Podianus huishoudgeld te kort kwam, liep ze gewoon even langs Prospertjes rijkgevulde boekenkast, nam er een bijbel uit, en verkocht die aan ‘een slager, een bakker of een kaarsenmaker’. Die konden het papier immers goed gebruiken om hun waren te verpakken. Kom daar tegenwoordig maar eens om: draagtasjes van lompenpapier.

Ik ontleen deze anekdote aan Richard Garnett, die van 1890 tot 1900 Keeper of Printed Books was van de British Library. Hij schreef ook gedichten maar zijn Essays in Librarianship (1900) zijn nog steeds onderhoudend. Daarin figureert ook een tijdgenoot van Podianus: de lijfarts van paus Urbanus VIII, Demetrio Canevari, ook zo’n onverzadigbare boekverslinder.  ‘Zijn maaltijden’, schrijft Garnett, ‘bestonden uit brood, soep, en een stukje vlees.’ Boekvijandige matrones als mevrouw Podianus maakten bij Canevari geen kans. Hij bleef vrijgezel en zijn huishoudster mocht zijn vertrekken niet betreden. Zijn maaltijden werden ‘in een mand omhooggetrokken naar de eerste verdieping.’

Bibliomanen, zo lijkt het, staan op gespannen  voet met de schijf van vijf. Eigenlijk geven ze de voorkeur aan de schijf van nul. Na de dood van Richard Heber, een Engelse bibliomaan van de buitencategorie, herinneren Nederlandse kranten in 1835 aan zijn verblijf in Den Haag. ‘Meestal bragt hij den geheelen dag, van 's morgens 7 tot 's avonds 7 ure, in de Koninklijke Bibliotheek door, zonder in al dien tijd iets te nuttigen, houdende hij zich aldaar uitsluitend bezig met het vergelijken van oude en zeldzame boeken.’

Geld speelt bij dit alles geen rol (mevrouw Podianus uitgezonderd). In 1930 rept een anonieme scribent van De Maasbode niettemin van ‘de vrekken van het Boek’, omdat ze ‘ongelooflijke bedragen’ aan boeken uitgeven. ‘Ze lijden er honger voor...’ Een eeuw eerder had Paul Lacroix dat al vastgesteld in Ma République: ‘...hij eet niet meer, slaapt niet meer, hij leeft alleen nog maar voor de verovering van het boek dat hij begeert.’

 

Ed Schilders

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het tijdschrift Argus op 29 september 2020.

De afbeelding is afkomstig van website Librariana.